En Adam kende zijn gemalin, Eva. En concipiërende bracht zij Kaïn voort en zei: "Ik verwierf een mens via de Theos."
En zij ging verder en bracht zijn broer Abel voort. En Abel werd een herder van schapen, maar KaĆÆn bewerkte het land.
En het gebeurde na dagen dat KaĆÆn van de vruchten van het land een offer aan de heer bracht.
En Abel zelf bracht ook [een offer] van de eerstgeborenen van zijn schapen en van zijn vetgemesten. En de Theos keek naar Abel en naar zijn offergaven.
Maar op KaĆÆn en op zijn offergaven schonk hij geen aandacht. En KaĆÆn was zeer bedroefd, en zijn gezicht werd neerslachtig.
En de heer Theos zei tegen KaĆÆn: "Waarom ben je diepbedroefd, en waarom [is] jouw gezicht terneergeslagen?
Als je niet goed bracht, bovendien niet goed verdeeld, miste [je] het doel. Wees stil, richting jou [zal zijn] zijn onderwerping, en jij zult heersen over hem."
En KaĆÆn zei tegen zijn broer Abel: "Laat ons gaan tot in de vlakte." En het gebeurde tijdens hun zijn op de vlakte [dat] KaĆÆn tegen zijn broer Abel opstond en hem doodde.
En de heer Theos zei tegen KaĆÆn: "Waar is jouw broer Abel?" En hij zei: "Ik weet het niet. Ik ben niet de bewaker van mijn broer."
En [de] heer zei: "Wat heb jij gedaan? De stem van jouw broers bloed schreit naar mij vanaf de aarde.
En nu [ben] jij vervloekt, weg van de aarde, die haar mond wijdde om jouw broers bloed te ontvangen uit jouw hand.
Wanneer jij de aarde bewerkt, en [het] niet toevoegt om aan jou haar sterkte te geven, [dan] zul jij [in] gekreun en beving zijn op de aarde."
En KaĆÆn zei tegen [de] heer: "Mijn oorzaak [is te] groot om mij te vergeven.
Als u mij vandaag van het gezicht van de aarde gooit, en van uw gezicht, zal ik me verstoppen, en ik zal kreunend en bevend zijn op de aarde. En zal het zijn dat het geheel mij vindende, zal mij doden."
En de heer Theos zei tegen hem: "Niet aldus, [want] het geheel dodende KaĆÆn zal verlamd worden [door] bestraffing zeven [maal]." En de heer Theos plaatste een teken [tot] KaĆÆn [voor] het geheel vindende hem, hem niet om te brengen.
En KaĆÆn ging voort van [het] gezicht van de Theos, en hij woonde in NaĆÆd-land, tegenover Edem.
En Kaïn kende zijn vrouw. En concipiërende baarde zij Enoch. En hij bouwde een stad [-staat]. En hij noemde de stad [-staat] naar de naam van zijn zoon Enoch.
En [tot] Enoch werd geboren Gaïdad. En Gaïdad bracht voort Maleleél. En Maleleël bracht voort Mathousala. En Mathousala bracht voort Lamech.
En Lamech nam twee vrouwen voor zichzelf: [de] naam van de ene [was] Ada, en [de] naam van de tweede [was] Sella.
En Ada baarde Iobel. Deze [ene] was de vader van degenen wonende in tenten, voederende vee.
En [de] naam [van] zijn broer [was] Ioubal. Deze [ene] was de [-gene] introducerende [het] psalterium en [de] harp.
En Sella baarde ook Thobel. En hij was een hamersmid, een slager van koper en ijzer. En [de] zus van Thobel was NoƩma.
En Lamech zei [tot] zijn vrouwen Ada en Sella: "Hoor mijn stem, vrouwen van Lamech! Geef gehoor aan mijn woorden, want ik doodde een man tot een wond voor mij, en een jongeling tot een kneuzing voor mij.
Want zevenmaal bestraffing [is] van KaĆÆn, maar voor Lamech zeventig maal zeven."
En Adam kende zijn gemalin, Eva. En concipiërende baarde zij een zoon. En zij noemde zijn naam Seth, zeggende: "Want de Theos wekte een ander zaad op in mij in plaats van Abel, die Kaïn doodde."
En [tot] Seth werd een zoon geboren. En hij noemde zijn naam Enos. Deze hoopte de naam van de heer Theos aan te roepen.