Dit [is] de boekrol van [de] oorsprong van [de] mens in die dag dat de Theos Adam maakte. Overeenkomstig [het] evenbeeld van Theos maakt hij hem.
Mannelijk en vrouwelijk maakte hij hen. En hij zegende hen. En hij noemde zijn naam Adam, op die dag dat hij ze maakte.
En Adam leefde dertig en twee honderd jaren. En hij verwekte naar zijn vorm, naar zijn evenbeeld. En hij noemde zijn naam Seth.
En de dagen van Adam, die hij leefde na zijn verwekking van Seth, waren zeven honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen die Adam leefde waren dertig en negen honderd jaren, en hij stierf.
En Seth leefde vijf en twee honderd jaren, en hij verwekte Enos.
En Seth leefde na zijn verwekking van Enos zeven en zeven honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Seth waren twaalf en negen honderd jaren, en hij stierf.
En Enos leefde honderd negentig jaren, en hij verwekte KaĆÆnan.
En Enos leefde na zijn verwekking van KaĆÆnan vijftien en zeven honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Enos waren vijf en negen honderd jaren, en hij stierf.
En Kaïnan leefde zeventig en honderd jaren, en hij verwekte Maleleél.
En Kaïnan leefde na zijn verwekking van Maleleél veertig en zeven honderd, en hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van KaĆÆnan waren tien en negen honderd jaren, en hij stierf.
En MaleleƩl leefde vijf en zestig en honderd jaren, en hij verwekte Iared.
En MaleleƩl leefde na zijn verwekking van Iared dertig en zeven honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van MaleleƩl waren vijf en negentig en acht honderd jaren, en hij stierf.
En Iared leefde twee en zestig en honderd jaren, en hij verwekte Enoch.
En Iared leefde na zijn verwekking van Enoch acht honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Iared waren twee en zestig en negen honderd jaren, en hij stierf.
En Enoch leefde vijf en zestig jaren en honderd jaren, en hij verwekte Mathousala.
En Enoch was welgevallig [voor] de Theos. En Enoch leefde na zijn verwekking van Mathousala twee honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Enoch waren vijf en zestig en drie honderd jaren.
En Enoch was welgevallig [voor] de Theos. En hij werd niet gevonden, want Theos bracht hem over.
En Mathousala leefde zeven en zestig en honderd jaren, en hij verwekte Lamech.
En Mathousala leefde na zijn verwekking van Lamech twee en acht honderd jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Mathousala die hij leefde waren en negen en zestig en negen honderd jaren, en hij stierf.
En Lamech leefde acht en tachtig en honderd jaren, en hij verwekte een zoon.
En hij noemde zijn naam Nóe, zeggende: "Deze zal ons rusten van onze werken, en van de smarten van onze handen, en van de aarde, die de heer Theos vervloekte."
En Lamech leefde na zijn verwekking van Nóe vijf honderd en zestig en vijf jaren. En hij verwekte zonen en dochters.
En al de dagen van Lamech waren zeven honderd en vijftig drie jaren, en hij stierf.
En Nóe was vijf honderd jaren, en hij verwekte drie zonen: Sem, Cham en Iapheth.