Maar de slang was het meest gewiekst van alle wilde beesten, van degenen die de heer Theos maakte op de aarde. En de slang zei tegen de gemalin: "Waarom zei de Theos: Op geen enkele wijze mag jij eten van alle bomen van het paradijs?".
En de vrouw zei: "Van vrucht van het hout van het paradijs zullen wij eten,
maar van de vrucht van de boom die in het midden van het paradijs is, de Theos zei: Eet er niet van, noch raak het aan, dat je niet zult sterven."
En de slang zei tot de gemalin: "Niet tot de dood zul je sterven,
want de Theos weet dat op welke dag je daarvan zou eten, jouw ogen zullen worden geopend, en jij zult zijn als goden, wetende goed en kwaad."
En de vrouw zag dat de boom goed was om te eten, en aangenaam voor de ogen om te zien, en mooi voor overpeinzing. En hebbende genomen de vrucht ervan, at zij, en zij gaf ook haar gemaal bij haar, en zij aten.
En de ogen van de twee werden geopend, en zij kwamen te weten dat zij naakt waren. En zij naaiden bladeren van een vijgenboom, en maakten zichzelf lendenschorten.
En wandelende in het paradijs in de schemering hoorden zij de stem van de heer Theos. En zowel Adam als zijn gemalin verborgen zich in het midden van het hout van het paradijs weg van [het] gezicht van de heer Theos.
En de Theos riep Adam, en zei tegen hem: "Adam, waar ben jij?"
En hij zei tot hem: "Ik, wandelende in het paradijs, hoorde uw stem, en ik vreesde, want ik ben naakt, en ik verborg me."
En de Theos zei tot hem: "Wie heeft jou bekend gemaakt dat jij naakt bent, tenzij jij at van de boom waarvan ik jou heb geĆÆnstrueerd 'Alleen niet van deze eten'?"
En Adam zei: "De vrouw met mij die u gaf, zij gaf aan mij van de boom, en ik at."
En de heer Theos zei tegen de gemalin: "Waarom heb jij dit gedaan?" En de vrouw zei: "De slang misleidde mij, en ik at."
En de heer Theos zei tot de slang: "Omdat jij dit hebt gedaan [ben] jij vervloekt van al het vee, en van al de wilde beesten van de [-gene] op de aarde. Op jouw borst en buik zul jij gaan, en jij zult aarde eten al de dagen van jouw leven.
En ik zal vijandschap plaatsen tussen jou en tussen de gemalin, en tussen jouw zaad en tussen haar zaad. Zij zal jouw hoofd gadeslaan, en jij zult haar hak gadeslaan."
En tot de gemalin zei hij: "In verveelvoudigende zal ik jouw smarten en jouw gekreun verveelvoudigen. In smarten zul jij kinderen baren, en [zijn] richting jouw onderdanigheid aan jouw gemaal, en hij zal heersen over jou."
En [tot] Adam zei hij: "Omdat jij hebt geluisterd naar de stem van jouw gemalin, en jij at van de boom waarvan ik jou heb geĆÆnstrueerd [zeggende] 'Alleen niet van deze eten', vervloekt is de grond in jouw werken. In smarten zul jij het eten, alle dagen van jouw leven.
Doornstruiken en distels zullen tot jou opkomen, en jij zult het gras van het veld eten.
In het [zweet] van jouw gezicht zul jij jouw brood eten, tot de terugkeer [van] jou tot in de aarde van waaruit jij werd genomen. Want aarde ben jij, en tot aarde zul jij wederkeren."
En Adam noemde de naam van zijn gemalin 'Leven', want zij was [de] moeder van al het levende.
En de heer Theos maakte voor Adam en zijn gemalin kledingstukken van huiden, en kleedde hen.
En de Theos zei: "Zie, Adam is geworden als ƩƩn van ons, te weten goed en kwaad. En nu, opdat niet op ieder moment hij zijn hand uit kunnen strekken, en van de levensboom zou nemen, en zou eten, en zal leven tot in het aeon."
En de heer Theos stuurde hem weg vanuit het paradijs van toegeeflijkheid, om de aarde te bewerken van waaruit hij was genomen.
En hij wierp Adam uit, en vestigde hem tegenover het paradijs van toegeeflijkheid en beval de cheroubin en het vlammende, ronddraaiende slagzwaard om de weg naar de levensboom te bewaken.