En Iakob ging voort tot in zijn eigen weg. En hebbende ophoog gekeken zag hij [het] gelegerde kamp van Theos. En de boodschappers van de Theos ontmoetten hem.
En Iakob zei, toen hij hen zag: "Dit is [het] kamp van Theos." En hij noemde de naam van die plaats: Kampen.
En Iakob zond boodschappers voor zich uit naar zijn broer Esau, in het land van Seéir, in de regio van Edom.
En hij gaf opdracht aan hen zeggende: "Zo zullen jullie zeggen [tot] mijn heer Esau: 'Zo zegt uw dienaar Iakob: Ik verbleef als vreemdeling bij Laban en bracht tijd door tot op heden.
En er kwamen runderen tot mij, en ezels, en schapen, en dienstknechten, en dienstmaagden. En ik zond om tot mijn heer Esau aan te kondigen, opdat uw dienaar genade zou mogen vinden vóór u.' "
En de boodschappers keerden terug naar Iakob zeggende: "Wij kwamen tot uw broer Esau. En zie: hij komt u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem."
En Iakob werd buitengewoon bevreesd, en was verbijsterd. En hij verdeelde het volk dat bij hem was, en de koeien, en de kamelen, en de schapen, in twee kampen.
En Iakob zei: "Als Esau in het ene kamp zou komen en het zou verslaan, zal het tweede kamp zijn tot in wordende gered."
En Iakob zei: "De Theos van mijn vader Abraám, en de Theos van mijn vader Isaák, heer, de ene zeggende tegen mij: 'Ren tot in het land van jouw geboorte, en ik zal goed doen tot jou.'
Het maakte mij voldoende, weg van alle gerechtigheid en weg van alle waarheid, die u deed tot uw dienaar. Want met deze staf van mij ben ik deze Iordanes overgestoken en nu ben ik geworden tot in twee kampen.
Verlos mij uit [de] hand van mijn broer, van [de] hand van Esau, want ik vrees hem, opdat hij niet zou komen dat hij mij zou verslaan, en [de] moeder over kinderen.
Maar u zei: 'Ik zal jou goed doen, en jouw zaad maken als het zand van de zee, dat niet zal worden geteld onder de menigte.' "
En die nacht ging hij daar slapen. En hij nam geschenken die hij meebracht, en stuurde naar zijn broer Esau:
tweehonderd vrouwtjesgeiten, twintig mannetjesgeiten, tweehonderd schapen, twintig rammen,
dertig zogende kamelen en hun kinderen, veertig koeien, tien stieren, twintig ezels en tien veulens.
En hij gaf ze [aan] zijn dienaren: een kudde alleen. En hij zei [tot] zijn dienaren: "Jullie gaan voort vóór mij en maken ruimte tussen kudde en kudde."
En hij gaf opdracht aan de eerste, zeggende: 'Als mijn broer Esau jou zou ontmoeten, en hij jou zou vragen, zeggende: 'Wie ben jij, en waar mag jij heen gaan, en wie [zijn] dat gaande vóór jou?',
zul jij zeggen: 'Uw dienaar Iakob heeft geschenken gestuurd tot mijn heer Esau. En zie: hij [is] achter ons.' "
En hij gaf opdracht aan de eerste, en aan de tweede, en aan de derde, en aan al degenen gaande ervoor na deze kudden, zeggende: "Volgens dit gezegde spreken jullie [tot] Esau wanneer jullie hem vinden.
En jullie zullen zeggen: 'Zie, uw dienaar Iakob komt achter ons aan. Want hij zei: Ik zal zijn gezicht sussen met de geschenken gaande vóór hem, en daarna zal ik zijn gezicht zien, want misschien zal hij mijn gezicht gunstig ontvangen.' "
En de geschenken gingen vóór zijn gezicht. En hij ging die nacht slapen in het kamp.
En opstaande die nacht nam hij de twee vrouwen en de twee dienstmaagden, en de elf kinderen, en stak de doorwaadbare plaats van Iabok over.
En hij nam ze, en stak de stroom over, en deed al dat van hem [is] oversteken.
En Iakob bleef alleen achter. En een mens worstelde met hem tot [de] ochtend.
En hij zag dat hij niet in staat was hem [te overwinnen]. En hij raakte de breedte van zijn dij aan. En hij verlamde de breedte van de dij van Iakob in zijn worsteling met hem.
En hij zei tegen hem: "Stuur mij [weg]," want de dageraad kwam op. Maar hij zei: "In geen geval zal ik u wegsturen als u mij niet zou zegenen."
En hij zei tot hem: "Wat is jouw naam?" En hij zei: "Iakob".
En hij zei tot hem: "Jouw naam zal niet langer Iakob worden genoemd, maar Israél zal jouw naam zijn, want jij groeide in kracht met de Theos en jij zult zijn met machtige mensen."
En Iakob vroeg en zei: "Maak mij uw naam bekend." En hij zei: "Waarom [is] dit [dat] jij mijn naam vraagt?" En hij zegende hem daar.
En Iakob noemde de naam van die plaats: Verschijning van Theos, want [hij zei:] "Ik zag de Theos van gezicht tot gezicht, en mijn ziel werd behouden."
En de Helios stond op tot hem toen hij voorbij het uiterlijk van de Theos ging, maar hij hinkte in zijn dij.
Vanwege dit eten de zonen van Israél op geen enkele manier de zenuw [door] welke hij verlamd werd, die is op de breedte van de dij, tot op deze dag, want hij raakte de breedte van de dij van Iakob aan, van de zenuw waarin hij verlamd werd.