En Iakob hoorde de woorden van de zonen van Laban, zeggende: "Iakob heeft alles van onze vader genomen. En in de [dingen] van onze vader heeft hij al deze glorie gemaakt."
En Iakob zag het gezicht van Laban. En zie: hij was niet richting hem zoals gisteren en [de] derde dag [ervoor].
En [de] heer zei tot Iakob: "Keer terug naar het land van jouw vader en naar jouw familie, en ik zal bij jou zijn."
En sturende riep Iakob Leia en Rachel naar de vlakte waar de kudden waren.
En hij zei tot hen: "Ik zie het gezicht van jullie vader, dat het niet richting mij is zoals gisteren en [de] derde dag [ervoor]. Maar de Theos van mijn vader was met mij.
Maar jullie weten ook zelf dat ik met al mijn kracht jullie vader heb gediend.
Maar jullie vader heeft mij bedrogen en mijn loon veranderd met de tien lammeren. En de Theos gaf hem niet [de macht] om kwaad [tegen] mij te doen.
Als hij aldus zou hebben gezegd: 'De veelkleurigen zullen jouw loon zijn, dan zouden alle schapen vele kleuren dragen.' En als hij zou hebben gezegd: 'De witten zullen jouw loon zijn, dan zouden alle schapen wit dragen.'
Zo verwijderde de Theos al het vee van jullie vader en hij gaf het aan mij.
En het geschiedde toen de schapen werden gestimuleerd in [de] schoot concipiƫrende, dat ik ze zag met mijn ogen in slaap. En zie: de mannetjesbokken en de rammen bestegen de schapen en de vrouwtjesgeiten: witgemengd en veelkleurig en asgrauw gespikkeld.
En de boodschapper van de Theos zei tijdens [de] slaap tegen mij: 'Iakob!' En ik zei: 'Wat is er?'
En hij zei: 'Kijk omhoog [met] jouw ogen, en zie de mannetjesbokken en de rammen die de schapen en de vrouwtjesbokken bestijgen: witgemengd en veelkleurig en asgrauw gespikkeld, want ik heb gezien zoveel als Laban doet tot jou.
Ik ben de Theos, de ene verschijnende aan jou in [de] plaats van Theos, waar jij een monument voor mij hebt gezalfd, en tot mij daar een gelofte hebt afgelegd. Nu dan, sta op en ga voort van dit land. En ga voort tot in het land van jouw geboorte. En ik zal met jou zijn.' "
En antwoordende zeiden Rachel en Leia tot hem: "Is er voor ons niet nog steeds een deel of erfenis in het huis van onze vader?
[Worden wij] niet als vreemdelingen voor hem beschouwd, want hij heeft ons verkocht? En door op te eten, verslond hij ons zilver.
Alle rijkdom en de glorie die de Theos van onze vader heeft weggenomen, zal van ons zijn en van onze kinderen. Welnu, zoveel als de Theos heeft gezegd tot jou, doe [dat]!"
En Iakob stond op en nam zijn vrouwen en kinderen mee op de kamelen.
En hij nam al zijn goederen, en al zijn toebehoren die hij in Mesopotamiƫ had gekocht, en al zijn [zaken], om op weg te gaan naar zijn vader IsaƔk in [het] land ChanaƔn.
En Laban ging heen om zijn schapen te scheren. En Rachel stal afgodsbeeldjes van haar vader.
En Iakob verborg [hun vertrek voor] Laban de Syros, [om zo] niet aan te kondigen tot hem dat hij wegrennende [is].
En hij rende weg, hijzelf en al de zijnen. En hij stak de rivier over en ging de berg van GalaƔd in.
Maar op de derde dag werd het aan Laban de Syros bekendgemaakt dat Iakob was weggerend.
En hij nam al zijn broers met zich mee en achtervolgde hem zeven dagreizen. En hij achterhaalde hem in de berg van GalaƔd.
En de Theos kwam tot Laban de Syros tijdens [de] slaap in de nacht en zei tegen hem: "Pas op, opdat jij niet op enig moment kwaad zou spreken tegen Iakob."
En Laban achterhaalde Iakob. En Iakob sloeg zijn tent op in de berg. En Laban plaatste zijn broers in de berg van GalaƔd.
En Laban zei tegen Iakob: "Wat heb jij gedaan? Waarom rende jij stiekem weg en plunderde jij mij en nam jij mijn dochters mee als gevangenen [genomen door het] zwaard?
Want als jij het mij had gezegd, zou ik jou zelfs met blijdschap hebben uitgezonden, en met muziek en tamboerijnen en harpen.
En ik [werd] niet waardig [geacht] om mijn kinderen en mijn dochters innig te kussen. Welnu, jij handelde onverstandig.
En nu heeft mijn hand de macht om kwaad [tegen] jou te doen. Maar de Theos van jouw vader zei gisteren tegen mij, zeggende: 'Pas op voor jezelf, opdat jij op enig moment kwaad zou spreken tegen Iakob.'
Nu dan, ga heen, want met verlangen verlangde jij om voort te gaan tot in het huis van jouw vader. [Maar] waarom heb jij mijn goden gestolen?"
En antwoordende zei Iakob tegen Laban: "Omdat ik vreesde, want ik zei: 'Op geen enkel moment zou u uw dochters van mij wegnemen, en al mijn [bezittingen].' "
En Iakob zei: "Bij wie dan ook u uw goden zult vinden, hij zal niet leven voor onze broeders. Herken wat van mij is van de [dingen] van u, en neem [dit]." En hij herkende niet onder [wat] van hem was: niet ƩƩn [ding]. Maar Iakob wist niet dat zijn vrouw Rachel ze had gestolen.
En binnengaande doorzocht Laban het huis van Leia, maar hij vond niet. En hij kwam uit het huis van Leia, en zocht in het huis van Iakob, en in het huis van de twee dienstmaagden, en vond niet. En hij ging ook het huis van Rachel binnen.
Rachel nam de afgoden, deed ze in de pakzadels van de kameel, en zat erop.
En zij zei tegen haar vader: "Draag [er] niet zwaar [aan], heer. Ik zal niet voor u kunnen opstaan, want de gewoonte van vrouwen is tot mij." Laban doorzocht het [hele] huis en vond de afgoden niet.
En Iakob werd boos en twistte [met] Laban. En reagerende zei Iakob tot Laban: "Wat is mijn misdaad en wat is mijn zonde, dat u mij achtervolgde,
en dat u alle goederen van mijn huis hebt doorzocht? Wat heeft u gevonden van alle goederen van uw huis? Zet [dit] hier tussen uw broers en mijn broers, en laat ze terechtwijzen tussen ons twee!
Deze twintig jaren ben ik bij u geweest. Uw schapen en uw vrouwelijke geiten waren niet onvruchtbaar. Ik heb geen rammen van uw schapen gegeten.
Dat genomen door de wilde beesten bracht ik niet tot u. Ik heb [hier-] voor zelf betaald, [de] diefstallen overdag en [de] diefstallen 's nachts.
Ik brandende van verzengende hitte overdag, en van de ijzige kou van de nacht. En mijn slaap vertrok van mijn ogen.
Deze twintig jaren ben ik in uw huis geweest. Ik heb u veertien jaren gediend voor uw twee dochters, en zes jaren onder uw schapen. En u hebt mijn loon bedrogen [met] tien ooilammeren.
Tenzij de Theos van AbraƔm, en de vrees van mijn vader IsaƔk met mij was, zou u mij nu leeg hebben weggestuurd. De Theos zag mijn vernedering en het zware zwoegen van mijn handen, en hij berispte u gisteren."
En antwoordende zei Laban tot Iakob: "De dochters [zijn] mijn dochters, en [de] zonen mijn zonen, en het vee mijn vee. En alles wat jij ziet is van mij, en het [eigendom] van mijn dochters. Wat zal ik vandaag met hen doen, of met de kinderen van hen die zij hebben gebaard?
Welnu, kom, laten we een verbond sluiten, zowel ik als jij. En het zal tot [een] getuigenis zijn tussen mij en jou." En hij zei tegen hem: "Zie: er is niemand bij ons. Zie: de Theos is getuige tussen mij en jou."
En Iakob nam een steen en plaatste die [als een] monument.
En Iakob zei tegen zijn broers: "Verzamel stenen!" En zij verzamelden stenen en maakten een heuvel. En zij aten daar op de heuvel. En Laban zei tegen hem: "Deze heuvel getuigt tussen mij en jou vandaag."
En Laban noemde het: de heuvel van getuigenis. En Iakob noemde het: [de] heuvel [is] getuige.
En Laban zei tot Iakob: "Zie: deze heuvel en het monument dat ik tussen mij en u heb geplaatst: deze heuvel getuigt, en dit monument getuigt." Daarom werd zijn naam genoemd: de heuvel getuigt.
En het visioen waarvan hij zei: "Laat de Theos tussen mij en jou kijken, dat we [de] ander van [de] ander zullen verlaten.
Als jij mijn dochters zou vernederen, als jij in aanvulling op mijn dochters echtgenotes neemt, pas dan op dat niemand bij ons ziende is [maar] de Theos [is] getuige tussen mij en tussen jou."
En Laban zei tot Iakob: "Zie: deze heuvel is een getuige, en dit monument.
Want als ik niet naar jou zou oversteken, zou jij ook niet naar mij moeten oversteken, want onheil [ligt] voorbij deze heuvel en dit monument.
De Theos van AbraƔm en de Theos van Nachor oordeelt tussen ons."
En Iakob zwoer bij een eed overeenkomstig de vrees van zijn vader IsaƔk. En hij bracht een offer in de berg en riep zijn broers. En zij aten en dronken en gingen slapen in de berg.
En Laban opstaande in de morgen, kuste zijn zonen en dochters en zegende hen. En Laban keerde zich om [en] ging voort naar zijn plaats.