En voltooid waren de hemel en de aarde, en de gehele kosmos van hen.
En de Theos voltooide in de zesde dag zijn werken die hij deed. En hij rustte op de zevende dag van al zijn werken die hij deed.
En de Theos zegende de zevende dag en verklaarde het verschillend, want daarin rustte hij van al de eigen werken die de Theos begon te doen.
Dit is de boekrol van de oorsprong van hemel en aarde, toen het ontstond, op de dag waarop de Theos de hemel en de aarde maakte,
en elk groen veld voordat het op de aarde bestond, en al het gras van [het] veld voor [hun] opkomst, want [de] heer had niet op de aarde geregend, en er was geen mens om het te bewerken.
Maar een bron kwam op vanuit de aarde, en het bewaterde het gehele gezicht van de aarde.
En de Theos vormde de mens, stof van de aarde. En hij ademde in diens gezicht de levensadem, en de mens werd een levende ziel.
En de Theos plantte het paradijs in Edem overeenkomstig de rijzing, en plaatste daar de mens, die hij vormde.
En de Theos deed toen uit de aarde opkomen elke boom, mooi in verschijning en goed om te eten, en de levensboom, in het midden van het paradijs, en de boom, de ene te weten wetende goed en kwaad.
En een rivier gaat voort vanuit Edem om het paradijs te bewateren. Van daar verdeelt het zich in vier oorsprongen.
[De] naam van de ene [is] Phison. Dit [is] de [ene] omcirkelende al het land van Evilat omringt, daar waar het goud is.
En het goud van dat land [is] goed. En daar is de houtskool en de preigroene steen.
En de naam van de tweede rivier [is] Geon. Dit [is] de [ene] die al het land van Aithiopia omcirkeld.
En de derde rivier [is de] Tigris. Dit [is] de [ene] die voortgaat tegenover de Assyriƫrs. En de vierde rivier is [de] Euphrates.
En de heer Theos nam de mens, die hij had gevormd, en plaatste hem in het paradijs, om het te bewerken en te bewaken.
En de heer Theos instrueerde Adam, zeggende: "Van elke boom in het paradijs zul jij eten,
maar van de boom van het kennen [van] goed en kwaad, daarvan zul jij niet eten. Maar op de dag waarop jij ervan zou eten, zul jij sterven tot de dood."
En de heer Theos zei: "[Het is] niet goed [voor] de mens om alleen te zijn. Laten we voor hem een helper maken overeenkomstig hem."
En de Theos vormde toen uit de aarde al de wilde beesten van het veld, en al het gevleugelde van de hemel. En Hij leidde ze naar Adam, om te zien wat hij hen zou noemen. En wat dan ook Adam iedere levende ziel noemde, dat [was de] naam ervan.
En Adam benoemde namen voor al het vee, en voor al het gevleugelde van de hemel, en voor alle wilde beesten van het veld. Maar voor Adam was er geen helper gevonden lijkend op hem.
En de heer Theos bracht verandering van toestand over Adam, en hij sliep. En hij nam ƩƩn zijde van hem, en vulde [het] op [met] vlees er tegenaan.
En de heer Theos bouwde de zijde welke hij nam van Adam tot [zijn] gemalin. En hij leidde haar richting Adam.
En Adam zei: "Dit nu [is] bot vanuit mijn botten, en vlees vanuit mijn vlees." Zij zal worden genoemd vrouw, omdat zij werd genomen van de man.
Om deze reden zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zich hechten aan zijn gemalin, en de twee zullen zijn tot ƩƩn vlees.
En de twee waren naakt, zowel Adam als zijn vrouw. En ze waren niet beschaamd.