En de Theos herinnerde Nóe, en al de wilde beesten, en al het vee en al het gevleu-gelde, en al het kruipende, zoveel als er met hem in de kist waren. En de Theos bracht een wind op de aarde, en het water nam af.
En de fonteinen van de afgrond werden onthuld, en de stortvloeden van de hemel. En de regen uit de hemel werd bedwongen.
En het water week, gaande weg van de aarde. En na vijftig en honderd dagen was het water verminderd.
En de kist zat neer in de zevende maand, [op de] zevende en twintigste dag van de maand, op de bergen van Ararat.
En het water gaande voort, verminderde tot de tiende maand. Op de eerste van de maand verschenen de toppen van de bergen.
En het geschiedde na veertig dagen [dat] Nóe het venster opende van de kist die hij maakte. En hij zond de kraai uit om te zien of het water afnam.
En gaande voort keerde het niet terug zo lang als het opdrogen van het water weg van de aarde [duurde].
En hij zond de duif er achterna, om te zien of het water van de aarde afnam.
En de duif, niet vindende rust voor haar voeten, keerde terug naar hem tot in de kist, omdat het water op heel het gezicht van de aarde was. En uitstrekkende zijn hand nam hij haar tot zichzelf en bracht haar naar tot in de kist.
En wachtende nog eens zeven dagen zond hij opnieuw de duif uit vanuit de kist.
En de duif keerde naar hem terug. En zij had een blad van een olijftakje in haar mond. En Nóe wist dat het water afnam van de aarde.
En wachtende opnieuw zeven dagen zond hij opnieuw de duif uit. En zij ging niet voort om naar hem terug te keren.
En het geschiedde in het één en zeshonderdste jaar van het leven van Nóe, [in] de eerste maand, [dag] één van de maand, [dat] het water verdween van de aarde. En Nóe onthulde het dak van de kist die hij maakte. En hij zag dat het water verdween van het gezicht van de aarde.
En in de tweede maand, zevende en twintigste van de maand, was de aarde gedroogd.
En de heer Theos sprak tegen Nóe, zeggende:
"Kom voort vanuit de kist, jij en jouw vrouw, en jouw zonen, en de vrouwen van jouw zonen met jou.
En alle vlees van gevleugelde tot vee, en elk kruipende voortbewegende op de aarde, leid uit met jezelf. En groei en vermeerder op de aarde."
En Nóe kwam voort, en zijn vrouw, en zijn zonen, en de vrouwen van zijn zonen met hem.
En al de wilde beesten, en al het vee en elke gevleugelde, en elk kruipende voortbewegende op aarde, overeenkomstig hun soort, kwam tevoorschijn vanuit de kist.
En Nóe bouwde een altaar voor de heer. En nam van al het reine vee, en van al het reine gevleugelde, en offerde tot in een geheel-brandoffer op het altaar.
En [de] heer rook de geur van aangename aroma. En overwegende zei de heer Theos: "Ik zal niet meer toevoegen om de aarde te vervloeken vanwege de werken van de mensen, omdat de gedachte van [de] mens zich vastklampt aan het slechte uit zijn jeugd. Ik zal dan niet toevoegen om alle levende vlees te treffen zoals ik deed.
Al de dagen van de aarde, zaad en oogst, kilte en zinderende hitte, zomer en lente, dag en nacht, zullen niet worden veroorzaakt om te stoppen."