En Ioseph werd naar Aigyptos gebracht. En Petephres, de eunuch van [de] Pharao, de opperbewaker, een Aigyptios, verwierf hem uit [de] handen van de Ismaélieten, degenen die hem daarheen leidden.
En [de] heer was met Ioseph. En hij was een verkrijgende man. En hij was in het huis naast zijn heer, de Aigyptios.
En zijn heer zag dat de heer met hem was. En wat hij ook zou doen, [de] heer maakte de weg in zijn handen voorspoedig.
En Ioseph vond genade vóór zijn heer. En hij was hem welgevallig. En hij plaatste hem over zijn huis. En alles wat van hem was gaf hij door [de] hand van Ioseph.
En het geschiedde na plaatsende hem over zijn huis, en over alles wat van hem was, dat [de] heer het huis van de Aigyptios zegende door Ioseph. En hij werd een zegening voor [zijn] heer in al zijn bezittingen in het huis en in zijn akker.
En hij vertrouwde al dat van hem was toe aan [de] hand van Ioseph. En hij wist niet betreffende zijn eigen [dingen], niet één [ding], behalve het brood dat hij at. En Ioseph was goed om te zien, en buitengewoon mooi in verschijning.
En het geschiedde na deze woorden dat de vrouw van zijn heer haar ogen op Ioseph plaatste en zei: "Slaap met mij."
Maar hij [was] niet bereid. En hij zei tot de vrouw van zijn heer: "Als mijn heer vanwege mij niet één ding in zijn huis [weet] en hij in mijn handen gaf al wat van hem is,
en niet één [ding] in dit huis bestaat buiten mij, noch [wordt] één [ding] in het geheim van mij verwijderd, behalve u, doordat u zijnde zijn vrouw, hoe moet ik dan dit slechte doen, en zondigen vóór de Theos?"
En toen zij dag aan dag sprak tot Ioseph luisterde hij niet naar haar om met haar te slapen, om intiem met haar te zijn.
Maar het geschiedde op een zekere dag dat Ioseph het huis binnenging om zijn werken te doen, en niemand in het huis [-houden] binnen was.
En zij trok hem bij [zijn] kleren en zei: "Slaap met mij." En achterlatende zijn kleren in haar handen vluchtte hij en ging naar buiten.
En het geschiedde toen zij zag dat [hij] zijn kleren in haar handen achterliet, en hij vluchtte en naar buiten ging,
dat zij de [-genen] zijnde in het huis [-houden] riep en tot hen zei, zeggende: "Zie: hij bracht een bediende van [de] Ebraion binnen tot ons om ons te bespotten. Hij kwam binnen richting mij zeggende: 'Slaap met mij.' En ik schreeuwde het uit met een grote stem.
En in zijn horen dat mijn stem werd verheven en ik het uitschreeuwde, achterlatende zijn kleren bij mij, vluchtte hij en ging naar buiten."
En zij liet de kleren bij zich, totdat de heer in zijn huis kwam.
En zij sprak tot hem volgens deze woorden, zeggende: "De bediende van [de] Ebraion, die u hebt binnengebracht naar ons, kwam binnen richting mij om mij te bespotten. En hij zei tot mij: 'Ik zal met jou slapen.'
Maar toen hij hoorde dat ik mijn stem verhief en het uitschreeuwde, achterlatende zijn kleren bij mij, vluchtte hij en ging naar buiten."
En het geschiedde, toen zijn heer de woorden van zijn vrouw hoorde, zoveel als zij tot hem sprak, zeggende [dat] aldus deed uw dienaar tot mij, dat hij ziedend werd [van] woede.
En de heer nam Ioseph mee en zette hem in de kerker, in de plaats waar de gevangenen van de koning werden vastgehouden, daar in de kerker.
En [de] heer was met Ioseph, en stortte genade over hem uit. En hij gaf tot hem begunstiging vóór de hoofdgevangenbewaarder.
En de hoofdgevangenbewaarder gaf de gevangenis door [de] hand van Ioseph, en allen wordende weggenomen, zovelen als [waren] in de gevangenis. En alles zoveel als zij daar doen, deed hij.
Door hem wist de hoofdgevangenbewaarder niet [iets], niet één [ding], want alles was door [de] hand van Ioseph, door de heer zijnde met hem. En zo veel als hij deed, [de] heer maakte de weg in zijn handen voorspoedig.