En Ioseph kwam en vertelde Pharao [zeggende]: "Mijn vader, en mijn broers, en hun vee, en hun runderen, en alles wat van hen is, zijn uit [het] land van ChanaƔn gekomen, en zie: Zij zijn in [het] land van Gesem."
En hij nam van zijn broers vijf mannen mee en zette ze voor Pharao.
En Pharao zei tot de broers van Ioseph: "Wat is jullie beroep?" En zij zeiden tot Pharao: "Uw dienaren zijn herders van schapen, zowel wij als onze vaders."
En zij zeiden tot Pharao: "Wij zijn gekomen om in het land te verblijven, want er is geen weide voor de kudden van uw dienaren, want de hongersnood heeft de overhand in [het] land van ChanaƔn. Daarom zullen uw dienaren nu in [het] land van Gesem wonen."
En Pharao zei tot Ioseph: "Laat zij zich vestigen in [het] land van Gesem. En als jij weet dat er bekwame mannen onder hen zijn, stel ze dan aan als heersers over mijn vee." En Iakob en zijn zonen kwamen tot in Aigyptos, tot Ioseph. En Pharao, [de] koning van Aigyptos, hoorde [ervan].
En Pharao sprak tot Ioseph zeggende: "Jouw vader en jouw broers zijn naar jou toe gekomen. Zie: [Het] land van Aigyptos is vóór jullie. Vestig jouw vader en jouw broers in het beste land."
En Ioseph bracht zijn vader Iakob binnen en zette hem voor Pharao. En Iakob zegende Pharao.
En Pharao zei tot Iakob: "Hoeveel zijn de jaren van de dagen van uw leven?"
En Iakob zei tot Pharao: "De dagen van de jaren van mijn leven, waarin ik verblijf, zijn honderd dertig jaren. Weinig en pijnlijk zijn de dagen van de jaren van mijn leven geweest. Zij bereikten niet de dagen van de jaren van het leven van mijn vaderen, in welke dagen zij verbleven."
En Iakob zegenende Pharao ging hij van hem weg.
En Ioseph vestigde zijn vader en zijn broers, en verleende hun een bezit in [het] land van Aigyptos, in het beste land, in [het] land van Ramesses, zoals Pharao had bevolen.
En Ioseph gaf voedsel aan zijn vader, en zijn broers, en aan het hele huis van zijn vader, graan voor ieder lichaam.
En er was geen koren in het hele land, want de hongersnood had zeer de overhand. En [het] land van Aigyptos en [het] land van ChanaƔn faalden vanwege de hongersnood.
En Ioseph verzamelde al het zilver dat werd gevonden in [het] land van Aigyptos en [het] land van ChanaƔn, [in ruil voor] het graan dat zij kochten, en hij deelde hun graan uit. En Ioseph bracht al het zilver in het huis van Pharao.
En al het zilver vanuit [het] land van Aigyptos en vanuit het land ChanaƔn faalde. En alle Aigyptiois kwamen naar Ioseph en zeiden: "Geef ons broden", en "Waarom sterven wij in uw aanwezigheid, want ons zilver heeft gefaald?"
En Ioseph zei tegen hen: "Breng jullie vee, en ik zal jullie broden voor jullie vee geven, als jullie zilver heeft gefaald."
En zij brachten hun vee naar Ioseph. En Ioseph gaf hun broden in ruil voor de paarden, en voor de schapen, en voor de runderen, en voor de ezels. En hij verzorgde hen in dat jaar met broden voor al hun vee.
En dat jaar liep ten einde, en zij kwamen in het tweede jaar naar hem toe en zeiden tot hem: "Moeten wij dan worden verteerd vóór onze heer, want als ons zilver heeft gefaald, en onze bezittingen en ons vee [behoren] aan u, onze heer, dan is er tot ons vóór onze heer niet meer over dan ons eigen lichaam en ons land.
Dus opdat wij niet vóór u sterven en het land verlaten wordt, verwerf ons en ons land voor broden, en wij en ons land zullen bedienden van Pharao zijn. Geef zaad dat wij kunnen zaaien, en leven en niet sterven, zodat ons land niet verlaten zal worden."
En Ioseph verwierf al [het] land van de Aigyptiois voor Pharao, want de Aigyptiois verkochten hun land aan Pharao, omdat de hongersnood de overhand had tegen hen. En het land werd van de Pharao.
En hij bracht het volk tot in slavernij tot hem, als dienaren, van de ene uiterste grens van Aigyptos tot het [andere] uiterste,
behalve alleen [het] land van de priesters. Ioseph verkreeg dit niet, want door een gunning gaf Pharao een geschenk aan de priesters. En zij aten hun deel dat Pharao hun gaf. Daarom verkochten zij hun land niet.
En Ioseph zei tot alle Aigyptiois: "Zie: Ik heb jullie en jullie land vandaag voor Pharao verworven. Neem zaad voor jullie zelf en zaai het land.
En er zal opbrengst uit voortkomen. En jullie zullen het vijfde deel aan Pharao geven, en de vier [overblijvende] delen zullen voor jullie zelf zijn, als zaad voor het land, en als voedsel voor jullie, en alles wat in jullie huizen is."
En zij zeiden: "U heeft ons gered. Wij hebben genade gevonden bij onze heer, en wij zullen dienaren van Pharao zijn."
En Ioseph bepaalde het tot hen als een verordening over [het] land van Aigyptos tot op deze dag: om een vijfde deel aan Pharao te geven, behalve alleen [het] land van de priesters, [omdat] dat niet van Pharao was.
En IsraƩl vestigde zich in [het] land van Aigyptos, in [het] land van Gesem. En zij verwierven er een erfenis op. En zij namen toe en vermenigvuldigden zich buitengewoon.
En Iakob overleefde zeventien jaren in [het] land van Aigyptos. En Iakobs dagen van de jaren van zijn leven waren honderd zevenenveertig jaren.
En de dagen van IsraƩl naderden dat hij zou sterven. En hij riep zijn zoon Ioseph en zei tegen hem: "Als ik genade heb gevonden bij jou, leg jouw hand onder mijn dij, en [zweer dat] jij genade en waarheid voor mij tot stand zult brengen, om mij niet in Aigyptos te begraven,
maar [dat] ik zal liggen bij mijn vaders. En jij zult mij uit Aigyptos dragen en mij in hun graf begraven." En hij zei: "Ik zal doen overeenkomstig uw woord."
En hij zei: "Zweer tot me." En hij zwoer het tot hem. En IsraƩl deed eerbetoon op de top van zijn staf.