En Ioseph [was] niet in staat om alles te weerhouden [tot] de [-genen] staande naast hem. Daarom zei hij: "Stuur allen weg van mij." En niemand stond naast Ioseph toen hij zich bekend maakte aan zijn broers.
En hij liet [het] gaan met een huilende stem. En al de Aigyptiois hoorden [het], en het werd hoorbaar in het huis van Pharao.
En Ioseph zei tegen zijn broers: "Ik ben Ioseph. Leeft mijn vader nog?" En de broers [waren] niet in staat om op hem te reageren, want zij waren verontrust.
En Ioseph zei tot zijn broers: "Kom naar mij toe." En zij naderden. En hij zei: "Ik ben jullie broer Ioseph, die jullie tot in Aigyptos hebben geleverd.
Welnu, wees niet angstig, en laat het tot jullie ook niet wreed lijken dat jullie mij hier hebben overgeleverd, want de Theos zond mij tot in [het] leven vóór jullie.
Want dit tweede jaar [is er] hongersnood op de aarde, en [er zijn] nog vijf jaren over waarin er geen geploeg is noch oogst.
Want de Theos heeft mij gezonden vóór jullie [opdat er] tot jullie u een overblijfsel op aarde zou zijn, zelfs een groot overblijfsel om jullie te voeden.
Welnu, jullie hebben mij niet naar hier gestuurd, maar de Theos. En hij heeft mij gemaakt als [een] vader tot Pharao, en heer van zijn hele huis, en heerser van heel [het] land van Aigyptos.
In haastende, ga opwaarts naar mijn vader en zeg tot hem: 'Aldus zegt uw zoon Ioseph: De Theos heeft mij heer gemaakt over al het land van Aigyptos. Kom daarom naar mij toe en blijf niet [daar].
En u zult wonen in [het] land van Gesem van Arabia. En u zult nabij mij zijn, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, uw schapen en uw runderen, en zoveel als van u is.
En ik zal u daar voeden, want [er is] nog vijf jaren van hongersnood, opdat u niet zult worden uitgewist, u en uw zonen, en al uw bezittingen.'
Zie: Jullie ogen zien, en de ogen van mijn broer Beniamin, dat mijn mond sprekende [is] tot jullie.
Rapporteer daarom tot mijn vader al mijn glorie in Aigyptos, en zoveel als jullie hebben gezien. En haastende, breng mijn vader hierheen.
En vallende om de hals van zijn broer Beniamin, huilde hij op hem. En Beniamin huilde op zijn hals.
En kussende al zijn broers huilde hij op hen. En daarna spraken zijn broers tot hem.
En het bericht werd bekendgemaakt tot in het huis van Pharao, zeggende: "De broers van Ioseph zijn gekomen." En Pharao verheugde zich, en zijn dienst.
En Pharao zei [tot] Ioseph: "Zeg tegen jouw broers: 'Doe dit: vul jullie rijtuigen en ga voort tot in [het] land van ChanaƔn.
En meenemende jullie vader en jullie bezittingen kom tot mij. En ik zal jullie al het goede van Aigyptos geven. En jullie zullen het merg van het land eten.'
En jij geeft aan hen opdracht om voor hen wagens te nemen uit [het] land Aigyptos voor jullie kinderen en jullie vrouwen. 'En meenemende jullie vader kom!
En wees niet spaarzaam tot de ogen van jullie goederen, want al het goede van Aigyptos zal tot jullie zijn.'
En aldus deden zij, de zonen van IsraƩl. En Ioseph gaf hun wagens, volgens de woorden van de koning Pharao. En hij gaf hun proviand voor de reis.
En hij gaf aan allen dubbele gewaden. Maar aan Beniamin gaf hij driehonderd [stukken] goud en vijf wisselingen van gewaden.
En tot zijn vader zond hij volgens hetzelfde, en tien ezels dragende [de geschenken] van al het goede van Aigyptos, en tien muilezels dragende broden naar zijn vader tot in op reis.
En hij zond zijn broers uit, en zij gingen. En hij zei tot hen: "Wordt onderweg niet geprovoceerd tot woede."
En zij gingen opwaarts vanuit Aigyptos. En zij kwamen tot in [het] land ChanaƔn, tot hun vader Iakob.
En zij maakten aan hem bekend zeggende dat: "Uw zoon Ioseph leeft, en hij regeert over heel [het] land van Aigyptos." En Iakob trok zich terug in [zijn] gedachten, want hij vertrouwde hen niet.
Maar zij spraken tot hem al de woorden van Ioseph, zoveel als hij zei tot hen. En ziende van de wagens die Ioseph stuurde om hem mee te nemen, wakkerde de geest van hun vader Iakob weer aan.
En IsraƩl zei: 'Het is groots tot mij als mijn zoon Ioseph nog leeft. In gaande zal ik hem zien voor [mijn] sterven."