En Iakob woonde in het land waar zijn vader vertoefde, in [het] land van ChanaƔn.
Dit [zijn] de generaties van Iakob. En Ioseph was tien en zeven jaren [oud], hoedende de schapen van zijn vader met zijn broers, jong onder de zonen van Balla en onder de zonen van Zelpha, de vrouwen van zijn vader. En Ioseph bracht [elke] slechte fout naar hun vader IsraƩl.
En Iakob had Ioseph meer lief dan al zijn zonen, omdat hij voor hem [de] zoon van ouderdom was. En hij maakte voor hem een veelkleurige tuniek.
En zijn broers ziende dat de vader hem meer liefhad dan al zijn zonen, verafschuwden zij hem en waren niet in staat iets vreedzaams te zeggen tot hem.
En Ioseph, dromende een droom, vertelde het [aan] zijn broers.
En hij zei tegen hen: "Hoor deze droom die ik heb gedroomd:
Ik stelde mij voor dat jullie schoven aan het binden waren in het midden van de vlakte. En daar kwam mijn schoof omhoog, en het stond recht omhoog. En jullie rond bewegende schoven brachten eerbetoon aan mijn schoof."
En zijn broers zeiden tot hem: "Bedoel jij dat in regerende jij over ons zult regeren, of in heersende jij over ons zult heersen?" En zij haatten hem nog meer, vanwege zijn dromen en vanwege zijn woorden.
En hij zag nog een droom. En beschreef het [aan] zijn vader, en [aan] zijn broers. En hij zei: "Zie: ik heb nog een droom gedroomd: alsof de zon en de maan en elf sterren eerbetoon aan mij deden."
En zijn vader berispte hem en zei tot hem: "Wat [is] deze droom die jij hebt gedroomd? Is het inderdaad zo [dat] in zijnde gekomen, ook ik zal komen, en jouw moeder en jouw broers, om jou eer te betonen op de grond?"
En zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bewaarde zorgvuldig hetgeen zijnde gezegd.
En zijn broers gingen om de schapen van hun vader te laten grazen tot in Sychem.
En IsraƩl zei tot Ioseph: "Waren jouw broers niet aan het hoeden in Sychem? Kom, ik zal jou naar hen toe sturen." En hij zei tegen hem: "Zie: ik [ben gereed]."
En IsraƩl zei tot hem: "[In] gaande, kijk of het goed gaat met jouw broers en de schapen, en maak het aan mij bekend." En hij zond hem vanuit het dal van Chebron. En hij kwam tot in Sychem.
En een mens vond hem dwalende in de vlakte. En de mens vroeg hem, zeggende: "Wat zoek jij?"
En hij zei: "Ik zoek mijn broers. Meld mij waar zij grazen."
En de mens zei tegen hem: "Zij zijn van hier vertrokken, want ik hoorde hen zeggen: 'Laten wij tot in DothaeĆm gaan.' " En Ioseph ging zijn broers achterna en vond hen in DothaeĆm.
En zij zagen hem [van] ver weg vóór zijn nadering tot hen. En zij smeedden een boosaardig plan om hem te doden.
En ieder zei tegen zijn broer: "Zie: die dromer komt.
Welnu, kom, laten wij hem doden en hem in ƩƩn van de putten werpen. En wij zullen zeggen: 'Een slecht wild beest heeft hem verslonden.' En wij zullen zien wat zijn dromen zullen zijn."
En Rouben horende [dit] redde hem uit hun handen en zei: "Tref hem niet tot in [de] ziel."
En Rouben zei tot hen: "Vergiet geen bloed. Werp hem in ƩƩn van deze putten van degenen in het verlatene, maar breng geen hand tegen hem", opdat hij hem uit hun handen zou kunnen redden, en dat hij hem zou kunnen terugkeren [tot] zijn vader.
En het geschiedde, toen Ioseph bij zijn broers kwam, [dat] zij de veelkleurige tuniek van Ioseph namen, degene om hem heen.
En nemende hem wierpen zij hem in de put. Maar de put was leeg: er zat geen water in.
En zij gingen zitten om brood te eten. En omhoogkijkende met de ogen zagen zij. En zie: rondtrekkende IsmaƩlieten komen van GalaƔd, en hun kamelen vol wierook, en zalf, en balsem. En zij waren gaande, leidende neerwaarts tot in Aigyptos.
En Iouda zei tot zijn broers: "Wat baat het als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen?
Kom, laten we hem aan deze IsmaƩlieten overdragen, en de handen van ons, laat ze niet op hem komen, want [hij is] onze broer, en hij is ons vlees." En zijn broers luisterden.
En de mensen kwamen dichterbij, de Madienaitische kooplieden. En zij trokken uit en haalden Ioseph vanuit de put. En de IsmaƩlieten gaven terug [voor] Ioseph twintig gouden [shekels]. En zij brachten Ioseph neerwaarts tot in Aigyptos.
En Rouben keerde terug tot op de put. En hij zag Ioseph niet in de put. En hij scheurde zijn klederen.
En hij wendde zich tot zijn broers en zei: "De jongen is niet. En ik, waar zal ik nog heen gaan?"
En nemende de tuniek van Ioseph doodden zij een jong van [de] geiten, en bevlekten de tuniek [met] het bloed.
En zij stuurden de veelkleurige tuniek, en zij droegen het [naar] hun vader, en zeiden: "Dit hebben wij gevonden. Herkent u of [de] tuniek van uw zoon is of niet?"
En hij herkende het en zei: "[De] tuniek is van mijn zoon. Een slecht wild beest heeft hem verslonden. Een wild beest greep Ioseph."
En Iakob scheurde zijn kleren, en deed een jute zak om zijn lendenen, en rouwde [om] zijn zoon vele dagen.
En al zijn zonen en zijn dochters kwamen samen, en kwamen om hem te troosten. Maar hij wilde niet getroost worden zeggende dat: "Ik zal in rouw richting mijn zoon afdalen tot in Hades." En zijn vader huilde om hem.
En de Madienaieten verkochten Ioseph in Aigyptos aan Petephres, de eunuch van Pharao, [de] opperbewaker.