En AbraƔm trok vandaar tot in [het] land richting [het] zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sour, en verbleef in Gerara.
En AbraƔm zei betreffende zijn vrouw Sarra: "Zij is mijn zuster", want hij was bang om te zeggen dat zij mijn vrouw is, anders zouden de mannen van de stad hem te allen tijde doden vanwege haar. Dus Abimelech, koning van Gerara, stuurde en nam Sarra.
En de Theos ging binnen tot Abimelech in slaap in de nacht. En hij zei: "Zie: jij sterft vanwege de vrouw die jij hebt genomen, want zij leeft met een man."
Maar Abimelech had haar niet aangeraakt. En hij zei: "Heer, wilt u een onwetend [zondigend] en rechtvaardig volk vernietigen?
Zei niet hij tegen mij: 'Zij is mijn zus', en zij tegen mij: 'Hij is mijn broer'? In een rein hart en in de rechtschapenheid van handen, deed ik dit."
En de Theos zei tegen hem gedurende [zijn] slaap: "En ik wist dat jij dit met een rein hart deed, en ik heb jou gespaard [omdat] jij niet tegen mij zondigde. Hierdoor liet ik jou haar niet aanraken.
Dus geef nu zijn gemalin van de mens terug, want hij is een profeet, en hij zal voor bidden betreffende jou, en jij zult leven. Maar als [jij] niet teruggeeft, zul jij weten dat jij zult sterven, jij en al de jouwen."
En Abimelech stond vroeg in de morgen op en riep al zijn dienaren. En hij sprak al deze woorden tot in hun oren. En alle mensen vreesden buitengewoon.
En Abimelech riep AbraƔm en zei tot hem: "Wat [is] dit dat jij deed tot ons, tenzij wij onrecht tot in jou hebben gedaan, dat jij een grote zonde over mij en over mijn koninkrijk brengt? Een daad die niemand zou moeten doen, heb jij gedaan tot mij."
En Abimelech zei tegen AbraƔm: "Wat hebbende gezien deed jij dit?"
En AbraƔm zei: "Omdat ik zei: Er is zeker geen toewijding aan de Theos in deze plaats, en zij zullen mij doden vanwege mijn vrouw.
Want ook waarlijk is zij mijn zus vanaf [mijn] vader, maar niet vanaf [mijn] moeder, en zij werd voor mij een vrouw.
En het geschiedde toen de Theos mij uit het huis van mijn vader leidde, dat ik tot haar zei: Deze gerechtigheid zul jij voor mij doen in elke plaats waar ik ook binnenkom, daar zegt jij van mij dat hij mijn broer is."
En Abimelech nam duizend didrachmen, en schapen, en kalveren, en dienstknechten, en dienstmaagden, en gaf [dit] aan AbraƔm. En hij gaf hem zijn vrouw Sarra terug.
En Abimelech zei tot AbraÔm: "Zie: mijn land [is] vóór jou. Woon waar het jou behaagt."
En [tot] Sarra zei hij: "Zie: ik heb duizend didrachmen aan jouw broer gegeven. Deze zullen voor jou zijn voor de prijs van jouw gezicht, en allen met jou. En wees eerlijk [in] alles.
En AbraƔm bad tot de Theos. En de Theos genas Abimelech, en zijn vrouw, en zijn dienstmaagden. En zij baarden.
Want door te sluiten, sloot [de] heer van buiten elke baarmoeder in het huis van Abimelech af, vanwege AbraƔms vrouw Sarra.