En al de aarde was ƩƩn lip en ƩƩn stem voor allemaal.
En het geschiedde toen zij weggingen van de rijzing [dat] zij een vlakte vonden in [het] land van SennaƔr. En zij woonden daar.
En een mens zei tegen zijn naaste: "Kom, laten wij stenen maken en ze in vuur bakken." En voor hen werd de baksteen als steen. En pek was hun klei.
En zij zeiden: "Kom, laten wij tot onszelf een stad [-staat] en toren bouwen, waarvan de top tot aan de hemel zal zijn. En laten we een naam voor onszelf maken, alvorens te worden verspreid over de gehele aarde."
En [de] heer ging naar beneden om de stad [-staat] en de toren te zien, die de zonen van de mensen bouwden.
En [de] heer zei: "Zie, [er is] ƩƩn soort en ƩƩn lip voor allen, en zij zijn begonnen dit te doen. Het zal nu niet vanuit hen falen, zoveel als ze maar mochten proberen te doen.
Kom, en gaande neer, laten we hun tong verwarren, zodat ze de stem van de naaste niet horen."
En [de] heer verstrooide hen van daar over de gehele aarde. En zij hielden op met het bouwen van de stad [-staat] en de toren.
Daarom werd de naam ervan verwarring genoemd, omdat daar [de] heer de lippen van heel de aarde verwarde. En vandaar verspreidde [de] heer hen over heel de aarde.
En dit [zijn] de generaties van Sem: En Sem was honderd jaren toen hij Arphaxad verwekte, het tweede jaar na het cataclysme.
En Sem leefde na zijn verwekking van Arphaxad vijfhonderd jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Arphaxad leefde honderd vijf en dertig jaren en hij verwekte KaĆÆnan.
En Arphaxad leefde na zijn verwekking van KaĆÆnan vierhonderd jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en stierf. En KaĆÆnan leefde honderd en dertig jaren en verwekte Sala. En KaĆÆnan leefde na zijn verwekking van Sala drie honderd dertig jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Sala leefde honderd dertig jaren en verwekte Eber.
En Sala leefde na zijn verwekking van Eber driehonderd dertig jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Eber leefde honderd en vierendertig jaren en hij verwekte Phaleg.
En Eber leefde na zijn verwekking van Phaleg tweehonderd en zeventig jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Phaleg leefde honderddertig jaren en hij verwekte Ragau.
En Phaleg leefde na zijn verwekking van Ragau negen en tweehonderd jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Ragau leefde en honderd dertig en twee jaren en hij verwekte Serouch.
En Ragau leefde na zijn verwekking van Seruch tweehonderd zeven jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Serouch leefde honderd dertig jaren en hij verwekte Nachor.
En Serouch leefde na zijn verwekking van Nachor tweehonderd jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
En Nachor leefde honderd negenenzeventig jaren en hij verwekte Thara.
Nachor leefde na zijn verwekking van Thara honderd vijfentwintig jaren, en hij verwekte zonen en dochters, en hij stierf.
Thara leefde zeventig jaren en hij verwekte Abram, Nachor en Arran.
En dit [zijn] de generaties van Thara. Thara verwekte Abram en Nachor en Arran. En Arran verwekte Lot.
En Arran stierf in de aanwezigheid van zijn vader Thara, in het land waarin hij werd geboren, in de regio van de Chaldaion.
En Abram en Nachor namen tot zichzelf vrouwen: [de] naam van de vrouw van Abram [zijnde] Sara, en [de] naam van de vrouw van Nachor [zijnde] Melcha, dochter van Arran. En [hij was de] vader van Melcha, en [de] vader van Iescha.
En Sara was onvruchtbaar en niet in staat om kinderen te produceren.
En Thara nam zijn zoon Abram, en Lot, [de] zoon van Arran, [de] zoon van zijn zoon, en zijn schoondochter Sara, de vrouw van zijn zoon Abram, en hij leidde hen uit het land van de Chaldaion, om te gaan in het land van ChanaƔn. En zij kwamen tot aan Charran en woonden daar.
En alle dagen van Thara in het land van Charran waren tweehonderd vijf jaren. En Thara stierf in Charran.